Mishandeling medewerkers corporatie

Fysiek geweld door huurder jegens schoonmaaksters: ontruiming woning

Helaas hebben corporaties steeds meer te maken met fysiek geweld tegen medewerkers of bedrijven die in opdracht van de corporatie werkzaamheden verrichten in complexen of woningen van de corporatie. Ook in een recente uitspraak van het Gerechtshof Den Bosch van 1 december 2015 (ECLI:NL:GHSHE:2015:4993) deed zich een geval van fysiek geweld voor. De verhurende corporatie heeft door middel van een kort geding ontruiming van de woning met succes gevorderd.

Het volgende was gebeurd. Schoonmaaksters waren in opdracht van de verhurende corporatie schoonmaakwerkzaamheden aan het verrichten in de gemeenschappelijke ruimte van een appartementencomplex van de corporatie. De betreffende huurder sprak de schoonmaaksters aan omdat ze volgens hem te veel lawaai maakten. De reactie van de schoonmaaksters stond de huurder niet aan, volgens hem zouden zij hem hebben uitgescholden, waarop hij de schoonmaaksters heeft mishandeld.

De corporatie heeft ervoor gekozen om in kort geding een ontruiming van de woning jegens de huurder te vorderen. De kantonrechter oordeelt in eerste aanleg dat de vordering van de corporatie wordt toegewezen. De huurder heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

De huurder was van mening dat het vermeende lawaai werd veroorzaakt door de schoonmaaksters. Dit zou geen gedrag zijn die verband houdt met de huurovereenkomst. Er was dan ook geen sprake van overlast, maar een doodgewoon conflict tussen drie personen. Het Hof heeft dit betoog uiteraard verworpen. De mishandeling vond immers plaats in de gemeenschappelijke ruimten bij het gehuurde en de slachtoffers waren vanwege hun werk (ten behoeve van de huurders en in opdracht van de corporatie) in die ruimten.

Overlast in de directe woonomgeving is volgens het Hof een grond voor ontbinding van de huurovereenkomst. Zeker nu de huurder ook verplicht is om zich te gedragen in de gemeenschappelijke ruimte en jegens personen die deze ruimte schoonmaken en vanwege de verhuurder daar aanwezig zijn. Bovendien waren de schoonmaaksters ten behoeve van de huurders, waaronder ook de betreffende huurder, aanwezig. De huurder had zich moeten onthouden van mishandeling en had, zo nodig, een klacht bij het schoonmaakbedrijf of de verhuurder moeten indienen.

Verder stelt de huurder dat hij slechts is veroordeeld voor een eenvoudige mishandeling en dat het een eenmalig incident betreft waarvan hij spijt heeft. Ook wijst hij erop dat hij vanwege persoonlijke omstandigheden niet ontruimd dient te worden. De huurder heeft ook verzocht om bemiddeling en heeft gewezen op de maatschappelijke doelstelling van de corporatie die de corporatie zou verplichten om het ontstane probleem beperkt te houden en niet direct tot ontruiming over te gaan.

Het Hof oordeelt dat, mede gelet op het feit dat hij strafrechtelijk is veroordeeld, het gaat om een ernstig incident. Volgens het Hof geldt tevens dat de corporatie gehouden is om voor degenen die in haar opdracht werkzaamheden uitvoeren (maar dit geldt ook voor de overige huurders van het complex) een veilige omgeving in stand wordt gehouden.

Volgens het Hof kan de veiligheid niet worden gegarandeerd zolang de huurder in de woning verblijft. Het Hof wijst daarbij op de achtergrond van de problematiek van de huurder en de banale reden voor het aanspreken door de huurder van de schoonmakers (lawaai). Ook het feit dat de huurder vervolgens de situatie laat escaleren omdat hem het weerwoord van de schoonmaaksters niet zint is voor het Hof van doorslaggevend belang. Hiermee is ook de vrees voor herhaling voldoende aannemelijk.

Het beroep op bemiddeling door de huurder slaagt ook niet. Het Hof overweegt dat de huurder voor het ingaan van de huurovereenkomst en ook de eerste drie maanden na ingangsdatum van de huurovereenkomst intensief is begeleid. Een verdere begeleiding is dan ook niet aan de orde. Ook het beroep op de maatschappelijke doelstelling van de corporatie maakt dit niet anders.

Het Gerechtshof laat door deze uitspraak heel duidelijk zien dat fysiek geweld tegen medewerkers of personen die in opdracht van de verhuurder werkzaamheden verrichten in het gehuurde of in de gemeenschappelijke ruimte niet wordt getolereerd. Bovendien maakt deze uitspraak duidelijk dat een corporatie de mogelijkheid heeft om direct in te grijpen door middel van het vorderen van ontruiming in kort geding. Een dergelijk lik-op-stuk beleid moet voorkomen dat er meer gevallen van fysiek geweld plaatsvinden. Helaas blijkt dat fysiek geweld toch steeds meer plaatsvindt. Ook onlangs verscheen het bericht in de media dat een woningcorporatie in Den Haag een vergelijkbaar geval aan de hand had en ook ontruiming in kort geding heeft gevorderd. Het gaat in die zaak om een mishandeling van een huismeester. Zie hier de link naar het artikel in het AD. Die uitspraak is nog niet bekend.

Indien u vragen heeft over deze uitspraak of zelf advies wenst in te winnen over hoe fysiek geweld kan worden tegen gegaan of worden aangepakt, kunt u contact opnemen met Weebers Vastgoed Advocaten N.V.

Auteur: mr. B. Poort

Plaats een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*


UA-69824055-1